03/02/2020 ECLI:NL:RBAMS:2014:6118, Rechtbank Amsterdam, C/13/569654 / KG ZA 14-960 2 De feiten 2.1. Op 27 mei 2012 is op SBS 6 een aflevering van het programma “Misdaadverslaggever” van Peter R. de Vries uitgezonden. In die aflevering werden camerabeelden getoond waarin eiser met een (vermeend) huurmoordenaar (hierna A te noemen) bespreekt hoe deze een concurrent van eiser in de escortbranche het beste kan (laten) liquideren. De beeldopnames zijn in het geheim door A gemaakt met behulp van een balpen waarin een camera zat. Eiser wordt in deze (door Peter R. de Vries uitgezonden) beeldopnames veelvuldig herkenbaar en zonder beeld- of geluidsvervorming in beeld gebracht, doch wordt in de uitzending niet met zijn volledige naam aangeduid, maar met zijn voornaam en de eerste letter van zijn achternaam. 2.2. Eiser is bij vonnis van deze rechtbank van 15 augustus 2012 veroordeeld tot zes jaar gevangenisstraf voor poging tot uitlokking van huurmoord. Deze veroordeling is mede gebaseerd op de in 2.1 genoemde beeldopnames van A. In het vonnis is, voor zover hier relevant, het volgende overwogen: ‘Ter terechtzitting heeft de rechtbank de videobeelden van het tweede gesprek dat tussen verdachte en [A] heeft plaatsgevonden, bekeken. In tegenstelling tot hetgeen verdachte heeft verklaard is de rechtbank van oordeel dat uit de wijze waarop het gesprek wordt gevoerd, de inhoud van het besprokene en de gedragingen (de lichaamstaal) van verdachte tijdens dit gesprek niet valt op te maken dat verdachte bang was voor [A] en daarom met hem meespeelde. Integendeel: op de beelden valt te zien dat verdachte achteroverleunend geheel op zijn gemak een boterham zat te eten terwijl verdachte in het gesprek het initiatief nam en in detail [A] op een gebiedende en zakelijke wijze heeft geïnstrueerd hoe hij de moord op [de concurrent] moest uitvoeren. Het was dan ook een serieus gesprek tussen verdachte en [A]. (…) Het vorenoverwogene brengt de rechtbank tot het oordeel dat verdachte in het tweede gesprek [A] de opdracht heeft gegeven om [de concurrent] te vermoorden. Nu verdachte de bedoeling had en er kennelijk vanuit ging dat [A] deze opdracht na dit gesprek zou uitvoeren, was het ten laste gelegde feit op dat moment voltooid. Bepalend is dat verdachte in het tweede gesprek aan [A] vraagt of [A] hem die avond bewijs kan geven. Het derde gesprek, waarvan de rechtbank de geluidsopname ter terechtzitting heeft beluisterd, begint met de mededeling van [A] dat het nog niet is gebeurd. Het was dus de bedoeling dat de moord na het tweede gesprek zou worden gepleegd. Het voorgaande leidt tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit. (…) De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder laten meewegen dat verdachte [A] de opdracht heeft gegeven om tegen betaling zijn grootste concurrent [slachtoffer]te vermoorden. Daarmee heeft verdachte geprobeerd te bewerkstelligen dat [slachtoffer]zijn grootste goed, te weten zijn leven, zou worden ontnomen. Dat dit uiteindelijk niet is gebeurd, is een gelukkige omstandigheid die geenszins aan verdachte te danken is. Daarbij moet het voor [de concurrent] zeer beangstigend zijn te weten dat zijn concurrent heeft geprobeerd hem te laten vermoorden. Voorts houdt de rechtbank rekening met de omstandigheid dat verdachte, zoals blijkt uit het gesprek dat op video is opgenomen, met grote achteloosheid en buitengewoon kil en zakelijk spreekt over de wijze waarop de moord zou moeten worden gepleegd. Daarbij moet volgens verdachte niet worden geschroomd om eventuele getuigen die op dat moment aanwezig zijn, eveneens te vermoorden. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verdachte een zeer ernstig misdrijf heeft gepleegd en acht derhalve een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van een aanzienlijke duur geboden.’ Eiser is tegen het vonnis van 15 augustus 2012 in hoger beroep gegaan. Eiser is in afwachting van het arrest van het gerechtshof, dat volgens zijn strafrechtadvocaat eind 2014/begin 2015 wordt verwacht, in vrijheid gesteld. https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:RBAMS:2014:6118 3/10

اختر الفقرة المستهدفة3