03/02/2020
ECLI:NL:RBAMS:2014:6118, Rechtbank Amsterdam, C/13/569654 / KG ZA 14-960
zoekmachine(s) van gedaagden;
II. elke en alle zoekresultaten, althans de door gedaagden gepubliceerde URL’s waarin de persoonsgegevens
van eiser niet (meer), althans niet (meer) volledig genoemd worden, uit de (resultaten van de) zoekmachine(s)
van gedaagden bij het invoeren van de naam/namen van eiser te verwijderen en verwijderd te houden;
III. de onderaan de webpagina van de zoekresultaten van de zoekmachine(s) van gedaagden bij de invoeren
van de naam/namen van eiser weergegeven mededeling “Sommige resultaten zijn mogelijk verwijderd op
grond van Europese wetgeving inzake gegevensbescherming. Meer informatie.” te verwijderen en verwijderd te
houden;
IV. de naam/namen van eiser te ontkoppelen van de naam van “Peter R. de Vries” in de (geautomatiseerde)
zoekbalk van de zoekmachine(s) van gedaagden;
V. zich te onthouden van iedere inbreuk op de privacy van eiser door het (doen) openbaar maken en/of
verveelvoudigen van de in het lichaam van de dagvaarding en bij pleidooi genoemde URL’s in haar
zoekmachine(s) in verband met de geautomatiseerde verwerking van de naam/namen van eiser voor
commerciële doeleinden, dan wel het doen van publicitaire en/of andere reclame-uitingen van gelijke aard of
strekking, in enigerlei vorm of op enigerlei wijze (met inbegrip van Google Books).
Eiser vordert ten slotte gedaagden te veroordelen in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente
en het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
De bij eiswijziging opgenomen aanvulling “bij pleidooi genoemde URL’s” heeft betrekking op een URL die
verwijst naar een pagina van het Algemeen Dagblad waarin melding wordt gemaakt van de onder 2.2 vermelde
veroordeling van eiser.
3.2. Eiser heeft zich met betrekking tot zijn vorderingen beroepen op de Wet bescherming persoonsgegevens
(Wbp) en een recent arrest van Hof van Justitie van de EU van 13 mei 2014 (inzake Google Spanje/Costeja),
hierna het Costeja-arrest, alsmede op onrechtmatig handelen van gedaagden.
3.3. Gedaagden voeren verweer.
3.4. De stellingen van partijen worden hierna, voor zover van belang, nader weergegeven.
4 De beoordeling
Ontvankelijkheid
4.1. Gedaagden hebben primair als verweer gevoerd dat eiser niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de
vorderingen die betrekking hebben op onderdrukking van zoekresultaten (en dus gebaseerd zijn op artikel 36
en 40 Wbp en het daarop betrekking hebbende Costeja-arrest) omdat artikel 46 Wbp voor dergelijke
vorderingen een verzoekschriftprocedure voorschrijft.
4.2. De voorzieningenrechter onderschrijft de stelling van gedaagden dat voor vorderingen gebaseerd op artikel 36
en 40 Wbp en het Costeja-arrest, zoals hier (onder meer) aan de orde, op grond van artikel 46 Wbp een
verzoekschriftprocedure is aangewezen, maar volgt gedaagden niet in hun stelling dat eiser daarmee nietontvankelijk is. Als de aangewezen rechtsgang voor spoedeisende gevallen geen met voldoende waarborgen
omklede snelle rechtsgang biedt waarin eiser een met het kort geding vergelijkbaar resultaat kan bereiken, kan
de voorzieningenrechter immers als ‘restrechter’ van de vorderingen kennis nemen. De in artikel 46 Wbp
aangewezen verzoekschriftprocedure biedt niet een dergelijke met voldoende waarborgen omklede snelle
rechtsgang. Gedaagden hebben weliswaar gesteld dat in de verzoekschriftprocedure om een verkorting van
termijnen kan worden gevraagd, maar dat is niet vergelijkbaar met een kortgedingprocedure. Aan het nietontvankelijkheidsverweer wordt derhalve voorbij gegaan.
Google Netherlands
https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:RBAMS:2014:6118
5/10