4/9/23, 15:55 ECLI:NL:RBAMS:2021:5117, Rechtbank Amsterdam, C/13/704886 / KG ZA 21-621 dit alles op straffe van dwangsommen en met veroordeling van Google/YouTube in de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover. 3.2. FvD c.s. hebben hun vorderingen met name gebaseerd op de volgende stellingen: - de uitingen in de Video bevatten geen content die kan leiden tot aanzienlijk risico op ernstige schade en is wat dat betreft niet in strijd met de servicevoorwaarden, de Communityrichtlijnen en/of het Covid-beleid; - voor zover de uitingen in strijd zijn met de standpunten van de WHO en het RIVM, gaat het beleid om dat te verbieden te ver, omdat dit een ontoelaatbare inmenging in de uitingsvrijheid van FvD c.s. teweegbrengt, mede tegen de achtergrond van de monopoliepositie van YouTube en de positie van [eiser 3] als politicus. FvD wordt daarmee feitelijk monddood gemaakt, waardoor het onmogelijk wordt kritiek te leveren op omstreden regeringspolitiek. Aldus heeft YouTube door het verwijderen van de Video in strijd gehandeld met normen van redelijkheid en billijkheid en onrechtmatig jegens FvD c.s. De belangen van FvD c.s. bij terugplaatsen van de Video wegen zwaarder dan het eigendomsrecht van YouTube en de volksgezondheidsbelangen die worden gediend door een strikte toepassing van het Covid-beleid. 3.3. Google voert gemotiveerd verweer. Zij stelt – kort gezegd – dat YouTube op grond van de Servicevoorwaarden en het Covid-beleid de Video terecht heeft verwijderd en beroept zich verder op haar eigendomsrecht en het recht van vrijheid van onderneming. 3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4 De beoordeling 4.1. Voorop staat dat YouTube en FvD c.s. private partijen zijn. FvD c.s. hebben bij het aanmaken van hun YouTube-accounts de Servicevoorwaarden aanvaard. Tussen partijen is een overeenkomst tot stand gekomen, op basis waarvan FvD c.s. in beginsel zijn gebonden aan de Servicevoorwaarden, de Communityrichtlijnen en het Covid-beleid. 4.2. Google stelt zich terecht op het standpunt dat de onder 2.9 geciteerde uitlatingen van [eiser 3] op gespannen voet staan met verschillende (onder 2.7 vermelde) bepalingen uit het Covid-beleid en als schending daarvan kunnen worden aangemerkt. Dit geldt met name voor de bepalingen die zien op mondkapjes, social distancing en de vergelijking met griep, alsmede de bepalingen die verbieden te beweren dat vaccins het risico op Covid19 niet verkleinen en te claimen dat ivermectine of hydroxychloroquine effectieve behandelingen zijn voor Covid-19. Ook als rekening wordt gehouden met de provocatieve stijl die [eiser 3] eigen is, kan het gebruik van termen als “een collectieve psychose” “een griepvariatie”, “volstrekt onzinnige afstandsregels”, “experimentele injecties” tegenover “prima eerstelijns medicijnen, zoals ivermectine”, niet anders dan als een schending van die bepalingen worden gezien. Anders dan FvD c.s. stellen, kunnen deze uitingen niet (evident) als ’beeldspraak’ worden gezien. Dat [eiser 3] , zoals FvD c.s. bepleiten, “de doeltreffendheid van de afstandsregels strikt genomen niet in twijfel trekt”, kan – mede in het licht van zijn eigen stellingen, houding in het openbaar en andere publieke optredens – nauwelijks serieus worden genomen. 4.3. Dit leidt tot de (tussen)conclusie dat de uitlatingen van [eiser 3] in de Video voorshands in strijd zijn met het Covid-beleid, en het verwijderen door YouTube in lijn is met de Servicevoorwaarden en dus niet in strijd is met de overeenkomst tussen partijen. 4.4. Het voorgaande neemt niet weg dat gronden aanwezig kunnen zijn om de verwijdering van de Video naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar, dan wel onrechtmatig te achten. In dat verband hebben FvD c.s. zich beroepen op hun vrijheid van meningsuiting. 4.5. Zoals in eerdere vonnissen van de voorzieningenechter van deze rechtbank1 is overwogen, kan artikel 10 EVRM, waarin het recht op vrijheid van meningsuiting is vastgelegd, doorwerken in privaatrechtelijke verhoudingen, bijvoorbeeld door de invulling van open privaatrechtelijke normen, zoals de verplichting bij de uitvoering van een overeenkomst te handelen naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid. Datzelfde geldt voor de open norm die in artikel 6:162 BW (onrechtmatige daad) is opgenomen: als onrechtmatige daad wordt https://uitspraken.rechtspraak.nl/#!/details?id=ECLI:NL:RBAMS:2021:5117 6/9

Seleccionar párrafo de destino3