3/8/23, 13:29 ECLI:NL:RBAMS:2020:4966, Rechtbank Amsterdam, C/13/689184 / KG ZA 20-783 de ‘post’ al door OFC is ontkracht. Volgens Facebook betekent dit niet dat zij alle geluiden weert die afwijken van wat de WHO, het RIVM en andere gezaghebbende instituties op het terrein van de gezondheidszorg uitdragen, maar alleen de uitingen die schadelijk kunnen zijn voor haar gebruikers, bijvoorbeeld doordat die bijdraagt aan het risico van dreigend geweld of lichamelijke schade. 4.11. [eiser sub 3] stelt door het COVID-19 beleid van Facebook te worden beknot in zijn grondrechtelijke vrijheden van meningsuiting, vereniging en vergadering en betoging. Hij is kritisch over het beleid van Nederlandse regering ten aanzien van COVID-19 en wil zijn boodschap onder de aandacht van het grote publiek kunnen brengen. Hij stelt dat Facebook aan de leiband van de overheid en de WHO loopt en een inhoudelijk debat frustreert door content die strijdig is met de heersende opinie te verwijderen van haar platform. Daarmee levert zij ook niet de beloofde dienst, te weten het bieden van een platform waarop meningen kunnen worden geuit, aldus [eiser sub 3] . Vrijheid van meningsuiting - vrije forumkeuze? 4.12. In de dagvaarding wordt een beroep gedaan op verschillende grondrechten, in het bijzonder het recht op vrijheid van meningsuiting. Bij de beoordeling zal het recht op vrijheid van meningsuiting als uitgangspunt worden genomen. Hetgeen hierna wordt overwogen geldt mutatis mutandis ook voor de overige fundamentele rechten waarop in de dagvaarding (zijdelings) een beroep op wordt gedaan. 4.13. Het recht op vrijheid van meningsuiting is een fundamenteel recht dat van groot belang is in een vrije democratische samenleving, juist ook als het gaat om uitingen die strijdig zijn met de heersende opinie.3 Het recht op vrijheid van meningsuiting is verankerd in onze grondwet en in internationale verdragen, waaronder het EVRM, het Internationaal Verdrag voor de Burgerlijke en Politieke Rechten (IVBPR) en het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. In artikel 10 lid 1 van het EVRM is het recht als volgt omschreven: “Een ieder heeft recht op vrijheid van meningsuiting. Dit recht omvat de vrijheid een mening te koesteren en de vrijheid om inlichtingen of denkbeelden te ontvangen of te verstrekken, zonder inmenging van enig openbaar gezag en ongeacht grenzen.” 4.14. De vraag die voorligt, is of het recht op vrijheid van meningsuiting betekent dat een ieder, via elk medium of platform, zijn mening onbeperkt moet kunnen uiten. Meer specifiek: staat het recht op vrijheid van meningsuiting in de weg aan toepassing door Facebook van haar COVID-19 beleid? Overwogen wordt als volgt. Geen directe horizontale werking 4.15. De geadresseerden van artikel 10 EVRM zijn de staten (“openbaar gezag"). Het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) kent in beginsel geen horizontale werking toe aan het bepaalde in artikel 10 EVRM.4 De stelling in de dagvaarding dat de Hoge Raad horizontale werking van het IVBPR heeft aangenomen, berust op een verkeerde interpretatie van de in de dagvaarding genoemde arresten. In het arrest van 18 november 1981 (NJ 1982/ 444) ging het niet om horizontale werking in de zin van directe verbindendheid van een verdragsbepaling voor particulieren, maar om de toetsing van een nationale wetsbepaling van privaatrechtelijke aard op (on)verenigbaarheid met het EVRM, en daarmee de zogenoemde indirecte doorwerking van het verdrag op privaatrechtelijke verhoudingen (zie hierna onder 4.21 e.v.).5 4.16. Bij het toekennen van directe horizontale werking aan (nationale of internationale) grondrechtsbepalingen, moet de rechter terughoudendheid betrachten. Daarvoor bestaan goede redenen. Dergelijke bepalingen zijn normaal gesproken – en ook in dit concrete geval – niet geformuleerd met het oog op betrekkingen tussen burgers onderling. Meestal lenen de bepalingen, als geheel genomen, zich niet voor toepassing op rechtsverhoudingen tussen burgers onderling omdat dat tot onaanvaardbare resultaten zou leiden. Dan zou bijvoorbeeld het recht op vrije meningsuiting altijd prevaleren boven iedere gedraging van de gedaagde die niet door een grondrechtsregel wordt gerechtvaardigd, zelfs als die gedraging niet onrechtmatig is. Dat zou de handelingsvrijheid van de burger teveel beperken.6 4.17. In de dagvaarding wordt een beroep gedaan op literatuur waarin aandacht wordt besteed aan de grensoverschrijdende invloed van machtige niet-statelijke actoren waaronder aanbieders van internetdiensten zoals Facebook, welke ontwikkeling de auteurs als zeer relevant benoemen voor de brede acceptatie van https://uitspraken.rechtspraak.nl/#!/details?id=ECLI:NL:RBAMS:2020:4966 7/11

Seleccionar párrafo de destino3

Conectar a un párrafo
Connect to an entity
Disable highlights
Añadir a la tabla de contenidos