3/8/23, 13:29 ECLI:NL:RBAMS:2020:4966, Rechtbank Amsterdam, C/13/689184 / KG ZA 20-783 4.25. De slotsom van het voorgaande is dat de vorderingen van Smart Exit c.s. om verschillende redenen niet toewijsbaar zijn. Die vorderingen zullen dan ook worden afgewezen. 4.26. Smart Exit c.s. zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Facebook worden begroot op: - griffierecht € 656,00 - salaris advocaat 980,00 Totaal € 1.636,00 De gevorderde nakosten zijn toewijsbaar als in de beslissing vermeld. 5 De beslissing De voorzieningenrechter 5.1. weigert de gevraagde voorzieningen, 5.2. veroordeelt Smart Exit c.s. in de proceskosten, aan de zijde van Facebook tot op heden begroot op € 1.636,00, 5.3. veroordeelt Smart Exit c.s. in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 157,00 voor salaris advocaat, te vermeerderen met € 82,00 en de kosten van het betekeningsexploot ingeval betekening van dit vonnis plaatsvindt, 5.4. verklaart deze kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. R.A. Dudok van Heel, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. E. van Bennekom, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 13 oktober 2020.15 1 S. Wunsch-Vincent & G. Vickery, Participative Web: User-Created Content (OECD Rapport) 2007, p. 12-14. 2 Desinformatie in verband met COVID-19 aanpakken: feiten onderscheiden van fictie (Gezamenlijke mededeling aan het Europees Parlement, de Europese Raad, De Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s (JOIN(2020)8)). 3 Zie bijv. EHRM 7 december 1976, nr. 5493/72 (Handyside), par. 49 4 Zie bijvoorbeeld [partij] / [partij] 3-I 2019/200 en A.J.P. Schild, De invloed van het EVRM op het ondernemingsrecht (Instituut voor Ondernemingsrecht nr. 91) (diss. Leiden), Deventer: Wolters Kluwer 2012, par. 2.9 5 Dit geldt ook voor de andere in de dagvaarding genoemde arresten: HR 2 februari 1982, NJ 1982/424 en HR 2 november 1997, NJ 1998/399 en HR 16 februari 2001, NJ 2001/291. 6 Zie bijvoorbeeld [partij] / [partij] 3-I 2019/227 en A.J.P. Schild, De invloed van het EVRM op het ondernemingsrecht (Instituut voor Ondernemingsrecht nr. 91) (diss. Leiden), Deventer: Wolters Kluwer 2012, par. 2.9. 7 Zie R. Nehmelnman & C.W. Noorlander, Horizontale werking van grondrechten, Deventer: Wolters Kluwer 2013, p. 5-6. 8 Zie R. Nehmelnman & C.W. Noorlander, Horizontale werking van grondrechten, Deventer: Wolters Kluwer 2013, paragraaf 9.2. 9 EHRM 6 mei 2003, nr. 44306/98 ([partij] /Verenigd Koninkrijk). 10 Zie ook R. Hoekstra, ‘Private communicatiemachthebbers en onze uitingsvrijheid’, Mediaforum 2015, afl. 1, p. 7. 11 Zie bijv. [partij] / [partij] 3-I 2019/221-225 en 228; AG Wuisman in zijn conclusie bij het arrest van de Hoge Raad van 15 mei 2009, ECLI:NL:PHR:2009:BH1193 (Vereniging tegen de Kwakzalverij), r.o. 3.2. https://uitspraken.rechtspraak.nl/#!/details?id=ECLI:NL:RBAMS:2020:4966 10/11

اختر الفقرة المستهدفة3

الاتصال بفقرة
Connect to an entity
Disable highlights
أضف إلى جدول المحتويات